Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten (Mt 9, 38)

Toen zij wggingen, bracht men Hem een stomme die door duivel bezeten was.Zodra de duivel was uitgedreven, begon de stomme te spreken. De mensen zeiden vol verbazing: “Nog nooit heeft men in Israël zó iets gezien.” Maar de Farizeeën zeiden: “De vorst der duivels stelt Hem in staat de duivels uit te drijven.”

Jezus ging rond door alle steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas. Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten”. (Mt 9, 33-38).

Deze tekst uit het evangelie van Matteüs gaat onmiddellijk vooraf aan Jezus’ eerste zending van zijn apostelen, en “gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen” (Mt 10,1). Wij hebben in deze homilie het eerste deel van de tekst buiten beschouwing gelaten: de uitdrijving van een doofstomme demon die, toen hij uitgedreven was, begon te spreken… en het onbegrip en de afgunst van de Farizeeën, die zich niet konden bekeren bij zo’n buitengewoon teken… terwijl het volk zich verwonderde en zei: “Zoiets heeft men in Israël nog nooit gezien“. Het volstaat te zeggen dat dit wonder van Jezus, waarin hij zijn macht over demonen toont, een voorbereiding is op wat volgt in het verhaal, de zending van de apostelen, waarvoor Jezus hun zijn macht meedeelt om demonen uit te drijven en te genezen. Een macht die de Kerk en de ambtsdragers van de Kerk door de apostelen, vooral in de overdracht van het katholieke priesterschap, ook vandaag bezitten. 

Wij zijn meer geïnteresseerd in het tweede deel van de tekst, waarin Jezus, op weg door dorpen en synagogen, “alle ziekten” en “alle kwalen” geneest (een macht die hij, zoals gezegd, ook aan de apostelen geeft in de tekst die volgt), en medelijden heeft met de mensen die “vermoeid en gebroken van hart” zijn, omdat zij “als schapen zonder herder” zijn. En dan beveelt Jezus hun God te vragen arbeiders te zenden in “zijn oogst“, d.w.z. om dienaren te zenden naar het veld van de wereld, om te werken voor het welzijn van de zielen. 

Deze tekst spreekt ons dus over het eerste roepingenpastoraat dat gedaan moet worden, dat wat Jezus zelf ons geleerd en opgedragen heeft te doen: bidden om roepingen, de Heer van de oogst (God) vragen arbeiders te zenden om in zijn oogst te werken. Met dit gebod verzekert de Heer ons ook van de werkzaamheid van dit gebed, want het is een gebed voor het welzijn van de Kerk en voor het welzijn van de zielen, een gebed dat Hij altijd verhoort. Maar laten we de tekst wat verder analyseren.

– Jezus “heeft medelijden met de volkeren… omdat zij zijn als schapen zonder herder“. Het mededogen van Jezus heeft Hem ertoe gebracht vlees te worden, mens te worden, de mensheid te komen verlossen. Dat medelijden dat Zacharia, de vader van de heilige Johannes de Doper, prachtig bezingt in het Benedictus, als de voorloper van Jezus geboren wordt: “door de ingewanden van Gods barmhartigheid zal een zon ons bezoeken van boven…” (Lc 1,78) “een machtige redder” (Lc 1,69). Het noemen van de ingewanden van barmhartigheid van God, die liefde is, zoals St. Johannes leert in zijn eerste brief. “God is liefde” (1 Joh 4,8.16). 

– Vanwege Gods tedere liefde was Jezus zelf de eerste die gezonden werd om de schapen te hoeden en hen naar de veilige weiden van de hemel te leiden. Hij kwam als de Herder van de schapen, als een “grote Herder” (mégas, zegt de Griekse tekst, groot), zoals Paulus Hem noemt (Hebr. 3,20). En hij heeft ons laten zien hoe je een goede herder moet zijn: die zijn leven opofferde voor de schapen. Hij zal zeggen: “Ik ben de goede herder. De Goede Herder geeft zijn leven voor de schapen” (Joh 10,11). En hij geeft het vrijelijk: “Niemand neemt het van mij, maar ik geef het zelf. Ik heb de macht om het te geven en de macht om het weer te nemen” (Joh 10,18). Zo toont hij aan dat de grootste liefde de liefde is die zo ver gaat dat zij sterft voor wie zij liefheeft, dat zij haar leven geeft voor wie zij liefheeft. Hijzelf zal later, bij het Laatste Avondmaal, zeggen: “Er is geen grotere liefde dan zijn leven te geven voor zijn vrienden” (Joh 15,13).

– Deze goede herder, die door zijn Vader gezonden werd om zijn leven te geven als offer voor ons, wil dat anderen hetzelfde doen als hij. Hij wil anderen betrekken in dezelfde verlossende missie. Dat is waarom hij kiest, hij roept. En Hij kiest altijd, roept altijd, in alle tijden, zodat er in zijn Kerk geen gebrek is aan goede herders, bereid om hun leven te geven voor de schapen. Eerst koos Hij de apostelen en andere leerlingen uit en zond hen uit, terwijl Hij tot hen zei: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik u” (Joh 20,21). Dat wil zeggen, hij zendt hen uit en geeft hun alles wat nodig is voor de zending, zoals de Vader hem alles gaf wat nodig is voor de zending reeds in de eeuwige generatie van het Woord. Maar Hij zendt ons ook met hetzelfde doel: te onderwijzen en goed te doen aan allen (vgl. Mt 28,19-20). En hij geeft ons de concrete modaliteit door te zeggen dat wij gezonden zijn op dezelfde wijze als hij, dat wil zeggen om ons leven te geven voor de schapen. 

Hoe groot is de roeping van priesters! Zij bestaat erin de zending van Jezus voort te zetten… niet los van Jezus, maar door deel te nemen aan zijn ene priesterschap! Dat is een effectief priesterschap voor de vergeving van de zonden van de wereld. Daarom spreekt de priester, wanneer hij de grootste dingen doet die alleen hij kan doen (de H. Mis opdragen en zonden absolveren), de woorden uit in de eerste persoon, alsof hij één was met Jezus, omdat hij werkt “in de persoon van Christus”: dit is mijn lichaam voor u gegeven / dit is mijn bloed voor u vergoten / ik ontsla u van uw zonden.

– Het is dus door priesters dat Jezus zijn priesterlijke aanwezigheid in de Kerk bestendigt. Ook in iedere gedoopte, zijn lid, dat een lid is van zijn lichaam en dus van zijn priesterlijk volk. Maar de gewijde priester neemt deel aan de functie van Christus het hoofd, van Christus het hoofd dat genade schenkt aan het hele mystieke lichaam. Een bewonderenswaardige roeping! Door priesters wordt Jezus als een hostie geofferd op onze altaren, als voedsel om ons in communie te geven, en om zonden te vergeven. En er is ook zijn macht, de macht om elke kwaal en elke geestelijke ziekte te genezen, zoals het Evangelie van Matteüs zegt, en de macht om de duivel uit te drijven. 

Een bewonderenswaardige roeping, zo veel bestreden in onze dagen! Want de vijand weet, dat hij niets kan uitrichten tegen de macht der priesters, want het is de eigenlijke macht van Christus, en van Christus hebben zij die ontvangen. Dus doet hij er alles aan om de mensen van de priester af te keren… door laster, smaad, discredit…. Vandaag volstaat het een krant of een website te openen of naar een radiozender te luisteren om dit te beseffen! 

En toch, hoe groot is de priester! Heilige priesters zijn de bloem der mensheid, de grote weldoeners van de mensheid, die zich in stilte aanbieden voor het heil der zielen. Moge God vele heilige priesters naar zijn Kerk zenden. En daarvoor is het aan ons om veel te bidden, volgens het bevel van de Heer: “bidt de Heer van de oogst om meer arbeiders in zijn oogst uit te zenden“. Dit is het eerste en meest fundamentele pastorale werk voor roepingen! Want degene die arbeiders zendt in zijn oogst is God: Hij alleen roept, en wij moeten Hem om deze genade vragen. 

Maar we moeten ook meer doen. Ik zeg alleen dit: zoals de wereld kwaad spreekt over priesters omdat zij de mensen wil weghouden van de bronnen van genade, zo moeten wij het tegenovergestelde doen. Heb een grote liefde voor onze priesters en spreek goed over hen. Vooral in het bijzijn van kinderen en jongeren, zodat zij opgroeien met liefde voor hen en voor ons geloof. 

In dit verband zei Johannes Paulus I, die binnenkort zalig zal worden verklaard, voordat hij paus werd, over de kracht van de omgeving waarin men opgroeit: “Hebt u kinderen in uw gezin die vier of vijf jaar oud zijn en vloeiend spreken? Ja? Hoe is dat zo gekomen? U hebt hen thuis gehad, zij hebben u voortdurend gezien, naar u geluisterd, uw vragen beantwoord en nu spreken zij zonder te vragen waarom of hoe. Wel, wil je dat ze ook leren bidden en zachtmoedig zijn? Laat hen thuis ouders, broers en zusters en grootouders zien die bidden, die elkaar liefhebben, die glimlachen, die de opofferingen van elke dag vol goede moed tegemoet treden. Laat het meubilair, de schilderijen, de boeken, de tijdschriften, de fijne en religieuze geest weerspiegelen van degenen die het huis beheren. Elk van deze elementen werkt minuut na minuut, dagen, maanden, jaren, dringt door in de ziel en beïnvloedt het lot van een heel leven” (Albino Luciani, “Honderd Gedachten”, n. 45). Als wij in onze gezinnen bidden om roepingen, bidden voor priesters en leven in een christelijke omgeving, zullen er vele en heilige roepingen ontstaan. 

Laten we deze intentie toevertrouwen aan Maria Allerheiligste, Moeder van alle priesters.

 

R.P. Gonzalo Ruiz Freites, IVE

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *