Ga naar de inhoud

Maria en de roeping

BOODSCHAP VAN PAUS JOHANNES PAULUS II VOOR DE XXV WERELDGEBEDSDAG VOOR ROEPINGEN (1987)

De Dag van de Roepingen krijgt een bijzondere betekenis in de context van het Mariajaar dat iedereen, herders en gelovigen, samenbrengt rond Maria, Moeder van de Verlosser, model van alle “geroepenen” en bemiddelaar van roepingen.

Elk van de geroepenen, die hun blik naar Maria opheffen, vindt in haar een volmaakt model voor de kennis van Gods plan; om de Heer resoluut te volgen volgens zijn wil; met nederigheid en vreugde de offers te aanvaarden die deze keuze van dienstbaarheid en liefde met zich meebrengt (vgl. Lk 1:28-38; Joh 19,25).

De gelovige gemeenschap ziet, terwijl zij haar plicht vervult in de zorg voor de roepingen, in de Allerheiligste Maria Degene die “door haar veelvuldige voorspraak voor ons de gaven van het eeuwig heil blijft verkrijgen” (Lumen Gentium, n. 62) – en dus ook de gaven van de roepingen – en haar aanroept als de Moeder van alle roepingen. In feite werkt zij met de liefde van een moeder mee aan de wedergeboorte en vorming van de zonen en dochters van de Kerk. De woorden die Jezus vanaf het kruis tot haar sprak: “Vrouw, zie uw Zoon”, en tot de leerling: “Zie uw Moeder” (Joh 19,26-27), zijn de woorden die de plaats van Maria in het leven van de leerlingen van Christus bepalen en haar nieuw geestelijk moederschap uitdrukken, in de orde van de genade, omdat zij de gave van de Heilige Geest afsmeekt.  die nieuwe kinderen van God verwekt (vgl. Redemptoris Mater, n. 44).

Laten we daarom onze blik richten op Maria om niet alleen haar te zien en te bewonderen die, uitverkoren, voorzegd, voorbereid en geroepen, beter dan wie dan ook beantwoordt aan de bijzondere roeping waarvan God haar tot voorwerp heeft gemaakt, maar ook haar die meer dan wie ook waakt over het heilsplan om iedereen te bereiken, naar Gods wonderbaarlijke gezindheid die allen oproept om met Hem samen te werken (vgl. 1 Tim. 2,4).

Aan Maria, Moeder van de Goddelijke Genade, vertrouw ik roepingen toe. Moge de nieuwe lente van roepingen, hun toename in de hele Kerk, in onze tijd en in de hele wereld een bijzonder bewijs zijn van haar moederlijke aanwezigheid in het mysterie van Christus en in het mysterie van zijn Kerk.