Ga naar de inhoud

BRIEF VAN PAUS ZIJNE HEILIGHEID BENEDICTUS XVI AAN HET BEGIN VAN HET JAAR VAN DE PRIESTERS NAAR AANLEIDING VAN DE 150STE “DIES NATALIS” VAN DE HEILIGE PASTOOR VAN ARS

Dierbare medebroeders in het priesterambt,

 “Het priesterschap, dat is de liefde van het hart van Jezus”, placht de heilige Pastoor van Ars te zeggen. Deze roerende formulering brengt ons er vooral toe te beseffen, innerlijk geraakt en dankbaar, welk een onmetelijk geschenk priesters zijn, niet alleen voor de Kerk, maar ook voor de mensheid als zodanig. Ik denk aan alle priesters die eenvoudig dag na dag het woord en de daden van Christus bij de christengelovigen en bij de hele wereld brengen, doordat zij proberen met hun gedachten, hun wil, hun gevoel en hun algehele levensstijl gelijkvormig aan Hem te zijn. Hoe zou men kunnen nalaten hun apostolische inspanningen, hun onvermoeibare en verborgen dienstwerk en hun allesomvattende liefde te onderstrepen? En wat zou men moeten zeggen van de moedige trouw van zoveel priesters die – ook te midden van moeilijkheden en onbegrip – trouw blijven aan hun roeping “vrienden van Christus” te zijn, die door Hem op bijzondere wijze geroepen, uitgekozen en uitgezonden zijn?

Ik zelf koester nog de herinnering aan de eerste pastoor aan wiens zijde ik mijn dienstwerk als jonge priester uitoefende; hij heeft mij een voorbeeld nagelaten van onvoorwaardelijke toewijding aan zijn pastorale opdracht tot aan de dood, die hem overviel toen hij een zwaar zieke het viaticum bracht. En dan denk ik aan de talloze medebroeders die ik ontmoet heb en nog steeds ontmoet, ook tijdens mijn pastorale reizen in de verschillende landen – medebroeders die edelmoedig toegewijd zijn aan de dagelijkse uitoefening van hun priesterlijke dienst. Maar de door de heilige Pastoor van Ars gebruikte formulering roept ook de herinnering op aan het doorboorde hart van Christus en aan de doornenkroon op Zijn hoofd. Daarom gaan mijn gedachten ook uit naar de talloze situaties van lijden waarin veel priesters zich bevinden, ofwel omdat zij deel hebben aan de veelvormige menselijke ervaringen van pijn, ofwel omdat zij bij degenen voor wie zij hun dienstwerk verrichten op onbegrip stuiten. Hoe zou men de vele priesters kunnen vergeten, die in hun waardigheid worden gekwetst, in hun zending belemmerd, soms zelfs tot aan het ultieme getuigenis van het offer van het eigen leven worden vervolgd? 

Helaas zijn er ook situaties, die nooit genoeg betreurd kunnen worden, waarin de Kerk zelf lijdt, en wel vanwege de ontrouw van sommige van haar bedienaren. De wereld ziet daarin dan aanleiding tot ergernis en afwijzing. Wat in zulke gevallen het meest behulpzaam is voor de Kerk is niet zo zeer het steeds maar benadrukken van de zwakheden van haar bedienaren, als wel veel meer het hernieuwde en vreugdevolle bewustzijn van de grootheid van Gods gave, die op stralende wijze gestalte krijgt in edelmoedige herders, in van brandende liefde tot God en de mensen vervulde religieuzen, in verlichte en geduldige geestelijke leiders. In dit verband kunnen de leer en het voorbeeld van de heilige Johannes Maria Vianney voor iedereen een belangrijk referentiekader bieden; de Pastoor van Ars was uiterst nederig, maar hij wist dat hij als priester een onmetelijke gave voor zijn mensen was: “Een goede herder, een herder naar Gods hart, is de grootste schat die de goede God een parochie kan geven en een van de waardevolste geschenken van de goddelijke barmhartigheid.” Hij sprak over het priesterschap alsof hij de grootte van de aan het menselijk schepsel toevertrouwde gave en  opgave eenvoudigweg niet kon vatten: “O, hoe groot is de priester! … Als hij zichzelf zou verstaan, zou hij sterven … God gehoorzaamt hem: hij spreekt twee zinnetjes uit en op zijn woord daalt de Heer van de hemel af en laat Zich omsluiten door een kleine Hostie …” En als hij aan de gelovigen het belang van de sacramenten uitlegde, zei hij: “Zonder het wijdingssacrament zouden wij de Heer niet hebben. Wie heeft Hem daar in het tabernakel gezet? De priester. Wie heeft uw ziel aangenomen toen u in deze wereld kwam? De priester. Wie voedt uw ziel, om haar de kracht te geven haar pelgrimstocht te volbrengen? De priester. Wie zal uw ziel er op voorbereiden voor God te verschijnen, door haar voor de laatste maal in het bloed van Christus te wassen? De priester, altijd weer de priester. En indien de ziel sterft [door de zonde], wie zal haar opwekken, wie zal haar rust en vrede geven? Alweer de priester … Na God is de priester alles! … In de hemel zal hij zichzelf pas goed verstaan”.  Deze uitspraken, die aan het priesterlijk hart van een heilig priester ontsproten zijn, zouden overdreven kunnen lijken. Maar daarin openbaart zich wel de buitengewone achting die hij voor het sacrament van het priesterschap had. Hij leek overweldigd door een grenzeloos verantwoordelijkheidsbesef: “Als wij werkelijk zouden begrijpen wat een priester op aarde is, zouden wij sterven: niet van schrik maar van liefde … Zonder de priester zouden de dood en het lijden van onze Heer tot niets dienen. Het is de priester die het werk van de verlossing op aarde voortzet … Wat zouden we hebben aan een huis vol goud als er niemand was die de deur ervan voor ons opende? De priester bezit de sleutel tot de hemelse schatten: hij is het die de deur opent; hij is de rentmeester van de goede God, de beheerder van Zijn goederen … Laat een parochie twintig jaar lang zonder priester, en men zal daar de dieren aanbidden … de priester is geen priester voor zichzelf, hij is het voor jullie.”

Toen hij naar Ars kwam, een dorpje met 230 inwoners, was hij door de bisschop reeds gewaarschuwd, dat hij een hachelijke situatie op godsdienstig gebied zou aantreffen: “Er is in die parochie niet veel liefde tot God; u zult deze daar brengen”. Hij was er zich dan ook volledig van bewust dat hij daarheen moest gaan om de aanwezigheid van Christus te belichamen door te getuigen van Zijn heilbrengende zachtmoedigheid. “[Mijn God], schenk mij de bekering van mijn parochie; ik wil daar alles voor lijden, wat U wilt, mijn hele leven lang!” – met dit gebed begon hij aan zijn zending. Aan de bekering van zijn parochie wijdde de heilige Pastoor zich met al zijn krachten en hij zette de christelijke vorming van het hem toevertrouwde volk bij alles op de eerste plaats. Dierbare medebroeders in het priesterlijk dienstwerk, laten wij van de Heer Jezus de genade afsmeken dat ook wij de pastorale methode van Johannes Maria Vianney kunnen aanleren! Wat wij op de eerste plaats moeten leren is onze volledig identificatie met onze eigen opgave. In Jezus vallen Persoon en zending ten diepste samen. Zijn gehele heilshandelen was en is een uitdrukking van Zijn Zoon-zijn, dat van eeuwigheid voor de Vader staat in een houding van liefdevolle onderwerping aan Diens wil. In bescheiden en toch authentieke analogie moet ook de priester deze identificatie nastreven. Natuurlijk moet daarbij niet worden vergeten dat de effectieve werkzaamheid van het dienstwerk onafhankelijk blijft van de heiligheid van de priester; maar men mag ook de buitengewone vruchtbaarheid niet uit het oog verliezen, die ontspruit aan het samengaan van de objectieve heiligheid van het dienstwerk en de subjectieve heiligheid van de priester. De Pastoor van Ars begon meteen met deze nederige en geduldige taak om zijn leven als priester in overeenstemming te brengen met de heiligheid van het hem toevertrouwde dienstwerk en zei dat hij in feite in zijn parochiekerk zou “wonen”. “Toen hij nog maar net was aangekomen, koos hij de kerk tot zijn woning … Voor de dageraad betrad hij de kerk en pas na het Angelus van de avond kwam hij weer naar buiten. Daar moest men hem zoeken als men hem nodig had”, zo vermeldt zijn eerste biografie.

In de wereld van vandaag is het even hard nodig als in de moeilijke tijden van de Pastoor van Ars, dat de priesters in hun leven en handelen uitblinken door een sterk getuigenis voor het evangelie. Paulus VI heeft terecht opgemerkt: “De mens van vandaag luistert liever naar getuigen dan naar geleerden, en als hij naar geleerden luistert dan is het omdat ze getuigen zijn.” Opdat in ons geen existentiële leegte ontstaat en de vruchtbaarheid van ons dienstwerk niet in gevaar komt, moeten wij ons telkens opnieuw afvragen: “Zijn wij werkelijk doordrenkt van Gods woord? Is dat werkelijk het voedsel waarvan wij leven, meer dan van brood en de zaken van deze wereld? Kennen we het werkelijk? Houden we ervan? Gaan wij er innerlijk mee om, zodat het ons leven bepaalt, ons denken vormt?”  Zoals Jezus de Twaalf riep om bij Hem te zijn (vgl. Mc. 3,14), en hen pas daarna uitzond om te prediken, zo zijn ook in onze dagen de priesters geroepen die “nieuwe levensstijl” aan te nemen, die Jezus, de Heer, ingevoerd heeft en die de apostelen zich eigen hebben gemaakt.

Aan de allerheiligste Maagd Maria vertrouw ik dit jaar van de priesters toe en ik vraag haar in het innerlijk van iedere priester een edelmoedige herleving op te wekken van die idealen van volledige overgave aan Christus en Zijn Kerk, die het denken en handelen van de heilige Pastoor van Ars bepaalden. Met zijn vurige gebedsleven en zijn hartstochtelijke liefde tot de gekruisigde Jezus voedde Johannes Maria Vianney zijn dagelijkse onvoorwaardelijke overgave aan God en aan de Kerk. Moge zijn voorbeeld de priesters bewegen tot dat getuigenis van eenheid met de bisschop, met elkaar en met de leken, dat vandaag even nodig is als altijd. Ondanks het kwaad dat er in de wereld is, zijn de woorden van Christus tot Zijn apostelen in de Zaal van het Laatste Avondmaal nog altijd actueel: “In de wereld leeft gij in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16,33). Het geloof in de goddelijke Meester geeft ons de kracht vertrouwvol de toekomst tegemoet te zien. Dierbare priesters, Christus rekent op u. Laat u, naar het voorbeeld van de heilige Pastoor van Ars, door Hem in bezit nemen, dan bent u in de wereld van vandaag ook Zijn boden van hoop, van verzoening en van vrede!

Van ganser harte geef ik u mijn zegen.

Uit het Vaticaan, 16 juni 2009